Deze wijn is gemaakt van Ribolla Gialla. Na de oogst worden de druiven gevinifieerd in Georgische qvevri (amforen) die ondergronds liggen begraven. Tijdens de gisting krijgt de wijn een lange schilweking, met inheemse (wilde) gisten, zonder temperatuurcontrole en met een uitgesproken focus op geduld en natuurlijke evolutie.
Na het overhevelen en persen wordt de wijn opnieuw in amfoor gebracht en blijft daar minstens vijf maanden verder rijpen. Vervolgens verhuist hij naar grote eikenhouten vaten, waar hij zes jaar de tijd krijgt om te verfijnen en te integreren. De wijn wordt gebotteld zonder klaring en zonder filtratie, waardoor karakter en structuur volledig behouden blijven.
De jaargang werd gekenmerkt door een zeer natte september, gevolgd door een betere oktober. Daardoor konden de druiven worden geoogst met mooie edele rotting (noble rot). Laatste oogstdag: maandag 20 oktober.
Serveertemperatuur: 12–18°C